‘s Ochtends, vier stappen naar het raam (4)

Vierde bedrijf

Kunstenaarsinitiatief Z.T. – Amsterdam
3 t/m 25 november 1995

 

 

DE HORIZON IS ONGEVEER 6,4 KILOMETER VAN ONS VERWIJDERD.
DE CIRKEL DIE DE HORIZON OM ONS HEEN TREKT, OMSLUIT O,000025 % VAN HET AARDOPPERVLAK.
ALS WE OP EEN VERHOGING VAN VIJFTIG CENTIMETER GAAN STAAN, VERSCHUIFT DE HORIZON 9OO METER.
WE KUNNEN DAN 0,000033 % VAN HET AARDOPPERVLAK ZIEN.

 

Al bijna driehonderd jaar bestaan er in de toneelwereld schema’s over het menselijke gedrag. Alle interacties tussen twee of meerdere personen zouden zijn te rubriceren binnen 36 dramatische situaties. (Voor meer verhaal: Kunstruimte Kampen ’95)

[1]Verhinderde liefde [2]Verloren Geliefden [3]Teruggevonden Geliefden [4]Houden van de Vijand [5]Smeekbede [6]Redding [7]Wraak [8]Wraak van Familie op Familie [9]Vervolging [10]Rampspoed [11]Ten Prooi aan Wreedheid en Ongeluk…

‘s Ochtends, vier stappen naar het raam (1)

 

Eerste bedrijf

Kunstenaarsinitiatief Z.T. – Amsterdam
3 t/m 25 november 1995

‘s Ochtends, vier stappen naar het raam, is een installatie die net, als een theatervoorstelling is opgebouwd uit een aantal bedrijven. Elke scène wordt na een week vervangen door een nieuwe. Tezamen vormen de vier bedrijven een essay over de mogelijkheden van een personage.

Aristoteles – Poetica – 335 v Chr
Over de rol van een personage

Luigi Pirandello
Zes personages op zoek naar een auteur – 1921

 

 

Over de rol van een personage

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (1)

De gebeurtenissen in het leven van een mens vertonen in het algemeen geen samenhang in termen van waarschijn-lijkheid of noodzakelijkheid. Moet een personage, in vergeijking met personen uit het dagelijks leven dus groter, overdrevener worden uitgebeeld?
Geenszins. De personage is de onopgesmukte uitbeelding van een werkelijk mens, met dien verstande echter, dat bij zijn typering al het bijkomstige is verwijderd. Er is dus niets aan de personage toegevoegd, doch integendeel veel van hem afgenomen, te weten alles wat niet zijn specifieke karakter en streven tot uitdrukking brengt.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (2)

De dingen die een mens overkomen zijn talrijk en vinden in vele gevallen geen voltooiing. De organisatie van een aantal van dergelijke belevenissen tot een eenheid is niet mogelijk. Het is dan ook niet de taak van een personage om te spreken van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden maar om uit te beelden wat zou kùnnen gebeuren. Een verdichting die nodig is om de waar-schijnlijkheid en noodzakelijkheid van de gebeurte-nissen te verhogen.
Juist wanneer de gebeurtenissen onverwacht en door elkaar veroorzaakt gebeuren, zal het verbazende effect groter zijn als de gebeurtenissen blijken samen te hangen dan wanneer ze zich vanzelf, dat wil zeggen bij toeval voordoen.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (3)

Een personage ‘weet’ wat hij gaat doen, hij ‘weet’ hoe de handelingen op elkaar volgen, hij ‘weet’ op welke wijze hij de ene handeling moet uitspelen om de andere tot haar recht te doen komen, hij ‘weet’ op welk punt hij de aandacht van de aanwezigen verstevigen moet om hen heel de macht van hetgeen vooraf ging te laten doorvoelen. Een personage speelt volgens dit schema, en alle getuigen worden volgens dit schema tot de volledige ontroering gebracht.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (4)

Veel personages blijken geheimen te hebben, die uiteindelijk dienen om gedrag te verantwoorden, dat anders mysterieus en onverklaarbaar zou zijn. Later wordt dan bijvoorbeeld onthuld dat een schijnbaar charmante en begerenswaardige jongenman in werkelijkheid een koude en harteloze verleider is.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (5)

Het valt onder de verantwoordelijkheid van een personage om de aandacht te trekken. In bijzondere omstandigheden verraden wij iets van ons innerlijk dat normaal gezien verborgen blijft. Zulke omstandigheden, die de slapende emoties in het geweer roepen noemt men ‘een crisis in het leven’.
Elke crisis van de persoonlijkheid vestigt de aandacht op die persoonlijkheid. Voor een personage is geluk of ongeluk van geen belang: slechts de overgang en omslag van de ene toestand in de andere is van betekenis. Het scheppen van een crisis valt dus onder de werkzaamheden van een personage.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (6)

Een personage moet minstens in botsing komen met andere karakters of uiterlijke omstandigheden. Nog beter is het om de strijd aan te gaan met hogere machten zoals het Toeval, het Noodlot, en de Wetten der Natuur. Op het allerhoogste niveau staat de meest meeslepende crisis van allen: het conflict met zichzelf.
In al deze gevallen is de kracht van het conflict afhankelijk van de manier waarop zij zichtbaar wordt gemaakt. Geluk of ongeluk is van geen enkele betekenis tenzij het leidt tot zichtbare handelingen. Daarbij is het weer niet zo dat het handelen van personages als doel heeft dat zij hun karakters uitbeelden, maar zij sluiten, omgekeerd, hun karakters in omdat zij handelen.

OVER DE ROL VAN EEN PERSONAGE (7)

Een personage is er nooit ‘zo maar’. De aanwezigen moeten er vanuit kunnen gaan dat ieder personage dat optreedt ook een rol zal gaan spelen in de gebeurtenissen waaruit de geschiedenis is opgebouwd.

Oefeningen

OEFENING 7

HET BINNENKOMEN

U komt een kamer binnen waarin iemand jarig is die U moet feliciteren:

A ] U vindt de jarige sympathiek en U kent hem of haar goed.

B ] U vindt de jarige sympathiek en U kent hem of haar niet goed.

C ] U vindt de jarige niet sympathiek, het feliciteren is een plicht.

D ] De jarige is lange tijd ziek geweest en U weet niet in welke toe stand U hem of haar zult aantreffen.

E ] Behalve de jarige treft U ook iemand aan die U zeer onaangenaam is.

OEFENING 9

HET OMGAAN MET DINGEN

U biedt iemand een kop koffie aan.

A ] Aan een goede bekende die net een heleboel narigheid heeft beleefd.

B ] Aan iemand die U vriendelijk moet behandelen zonder dat U het meent.

C ] Aan iemand die U liefhebt en die het niet weet.

D ] Aan iemand die U haat. U heeft vergif in de koffie gedaan.

OEFENING 3

LUISTEREN

A ] We zitten alleen in onze eigen kamer. We zijn rustig aan het lezen. Boven slaat duidelijk een deur. Door de manier waarop we luisteren moeten onze gedachten voor een ander duidelijk worden.
‘Slaat daar nu een deur?’ – ‘Wat gek, ik dacht dat er niemand in huis was.’ ‘Of vergis ik me soms en was er toch iemand thuis?’ – ‘Nee, ik weet zeker dat er niemand is.’ ‘Of heb ik het me verbeeld?’ ‘Ik hoor nu niets meer.’

B ] We luisteren aan een deur. Er blijken verscheidene mensen te zijn, die iets bepraten dat niet voor ons bedoeld is. We luisteren dit af met verbaasde nieuwsgierigheid. Tot onze grimmige genoegdoening weten we wat er is besproken.

C ] We luisteren aan de deur van een slaapkamer of iemand, die ziek is, slaapt of wakker is. Door onze manier van doen moet duidelijk worden hoe het met de patiënt gaat.

OEFENING 12

HET ONVERWACHTE

U zit ‘s avonds thuis aan tafel een boek te lezen. Plotseling wordt de deur opengedaan en staat er iemand op de drempel.

A ] Er staat een volkomen vreemde. We begrijpen er niets van en reageren met verbazing.

B ] Een goede vriend verschijnt, waarvan we dachten dat hij ver weg zat. Onze vreugde is groot.

C ] U heeft uitdrukkelijk bevel gegeven dat U niet gestoord wilde worden. Nu het toch gebeurt reageert U met grote woede.

D ] U ziet de deurknop bewegen. De deur gaat open en er blijkt niemand op de drempel te staan. Panische angst bekruipt U.

E ] U bent geconcentreerd bezig. Als de deur openvliegt schrikt U hevig.

OEFENING 8

HET ONTSTAAN VAN EMOTIE

U zit in de kamer te lezen. U verwacht geen bezoek of storing.

A ] Er wordt gebeld. U luistert, kijkt, denkt, kijkt enz. Er komt een gedachte bij U op: ‘Hè, wat vervelend.’ U bent duidelijk gestoord in uw lectuur. Dan pas reageert U op de deurbel.

B ] U hoort onder het raam een kat miauwen. U heeft het land aan katten. U wordt wrevelig en gaat de deur uit om het beest te verjagen.

C ] U hebt een misdrijf op uw geweten. Er wordt gebeld. Het dienstmeisje doet open. U luistert en verstaat heel duidelijk:’Politie, is meneer thuis?’ U wordt onzeker, bang, woedend, radeloos; tenslotte vermant U zich.

OEFENING 5

DE GERICHTHEID VAN ONZE GEDACHTEN

A ] Van groot belang is de richting waarin onze ogen bewegen. Wanneer er net iemand in de kamer is geweest die er slecht uitziet dan volgen wij hem in gedachten. Als we tegen iemand zeggen ‘wat ziet hij er tegenwoordig slecht uit’, dan kijken we afwisselend naar de deur en naar degene tegen wie we praten.

B ] U zit babykleertjes te verstellen. U denkt aan het kind dat boven slaapt. Ineens wordt er op de muur gehamerd. De buurman hangt een schilderij op. U kijkt naar de muur en daarna naar het plafond. Ongerustheid. Woede in de richting van de muur. Bezorgdheid in de richting van de bovenkamer. Twijfel of eerst de buurman gewaarschuwd moet worden, òf eerst het kind gesust.