Archive for the ‘Het Meeste komt Vaker Voor’ Category.

Het Meeste komt Vaker Voor

Prof. Dr. J.K. De Vree

Het Meeste komt Vaker Voor


Prof.Dr. J.K. De Vree, hoogleraar in de Leer der Inter­nationa­le Betrek­kingen en ver­bonden aan de Utrechtse Facul­teit der Rechtsgeleerd­heid, bouwt al meer dan dertig jaar aan zijn alomvatten­de theorie van menselijk gedrag. Centraal daarin staat de wiskunde.

Op 29 september 1994 verschijnt, onder de kop `Een theorie van alles’, in het NRC-Han­delsblad een paginagroot artikel over het werk van Prof.Dr. J.K. De Vree (1938). Zijn theorie be­doelt een verklaring te geven voor het menselij­ke handelen in al zijn facetten, op alle maatschap­pelijke niveaus en in alle denkbare situaties. Ambitieus, maar met minder neemt hij geen genoegen: “Er is geen keus, alles hangt met alles samen. Wil je überhaupt iets aan een theorie hebben, dan moet ze van jongs af aan alle aspecten van het menselijk bestaan omvat­ten”. Inter­natio­nale betrekkin­gen of plaatselijke politiek, vreedzame samenwerking of oorlog: het zit er allemaal in verwerkt. “Met gewone taal lukt dat niet. Gedrag wordt gere­geerd door nuttig­heden. Wat betekent dat precies? Als je dat gaat uit­spitten, steeds nauwkeuri­ger probeert weer te geven, dan kom je vanzelf op een wiskundige vorm. In die taal kun je je namelijk veel krach­tiger, veel helderder uitdruk­ken dan in gewoon Neder­lands. Als twee individu­en met elkaar interacte­ren, dan kun je dat weergeven via een matrix. In natuurlijke taal kom je met zoiets niet uit de voeten. Eenvoudig is zo’n formele aanpak niet. De wiskunde laat je in de praktijk geen ander alternatief dan door te gaan tot het bittere einde.”

Op het moment werkt De Vree aan een artikel waaruit blijkt dat het hele begrip `rationaliteit’ in zijn theorie geen betekenis heeft. “Je kunt er gewoon buiten.”

Brief 1

Het Meeste komt Vaker Voor

Vrijdag 7 oktober 1994

In het NRC-Handelsblad van 29 september j.l. stelt een van uw critici, Dhr. Koppelaar: “Een ontmoeting van twee tijgers modelleert hij via differentiaalvergelijkingen alsof die tijgers die differenti­aalvergelijkingen in werkelijkheid oplossen. Dat is geen wetenschap, eerder kunst”.

Alsof een appel kennis moet hebben van de gravitatie wetten om te kunnen vallen en het heelal weigert uit te dijen zonder de constante van Hubble. Als de natuurwetten de ‘ziel’ zijn van de dode dingen dan kan ik me voorstellen dat een beweeglijke wiskunde, zoals die van matrices en differentiaalvergelijkin­gen, de gedragingen van de levende dingen kan beschrijven.

Interessant is het dat u blijkbaar probeert een wiskundige vorm te vinden voor alle aspecten van het menselijk bestaan. Dat dit afschu­welijk ingewikkeld is wil ik graag geloven.

Als beeldend kunstenaar geef ik Koppelaar graag gelijk: een ontmoe­ting voorstel­len als een differenti­aal vergelijking spreekt mij zeer tot de verbeelding. In mijn vorige tentoon­stelling (Breda, Lokaal 01, Mei 1994) heb ik geprobeerd erach­ter te komen of een aantal `droge’ feiten poëzie kunnen ople­veren. Met oog op de volgende expositie (Kunstruimte Kampen – maart 1995) zou ik u willen vragen: heeft Koppelaar gelijk? Kunt U een ontmoeting wiskundig voorstel­len? En blijft er in een derge­lijke verge­lijking iets zicht­baar van de sub­jectieve motieven; hoe intiem kan wiskunde worden? Maakt het voor u uit of het om een ont­moeting van twee mensen gaat of om groepen?

Waarschijnlijk komt het er op neer dat deze vragen buiten de orde liggen of te simpel zijn, maar zou u kunnen aangeven waar de raak­vlak­ken dan wel liggen?

Ik begrijp dat u voor de beantwoording van deze vragen geneigd bent te verwijzen naar uw publicaties, en gelijk heeft u, maar ik zou er waar­schijnlijk niets van begrijpen. Mijn is eerste vraag is kortom: kunnen we over genoemde onderwerpen corres­ponderen?

Met de vriendelijke groeten,

Brief 2

Het Meeste komt Vaker Voor

Vrijdag 4 november 1994

“Er is niets poëtischer dan de werkelijkheid”. Zo mag ik het horen! Zeer verguld ben ik met uw brief van 16 oktober.

“Droge feiten bestaan eigenlijk niet”, hoera! Wellicht kan ik me nu een paar kant­tekeningen veroorloven.

Ik meen dat er verschillende soorten feiten zijn. Veel is inderdaad persoonlijk gekleurd, ook in de wetenschappelijke wereld, maar er zijn ook onbaatzuchtige feiten. Feiten die geen rol spelen binnen onze eigen opvattingen maar waar we wel op terug kunnen vallen. De belangloze feiten: de zon komt `s ochtends al op in het oosten voordat ik daar ook maar iets van wil vinden. Of de feiten die met algemene stemmen worden aangenomen: gras is groen omdat groen de kleur is van gras. En dan zijn er ook nog zaken waar niemand omheen kan zodat er wel een consensus moet ontstaan: als 6 miljard mensen niet door een betonnen muur kunnen lopen wil ik graag geloven dat die muur er inderdaad staat. Met betrekking tot mijn eigen huis en rust acht ik dit belangrijk. Continue reading ‘Brief 2’ »

Brief 3

Het Meeste komt Vaker Voor

Vrijdag 23 december 1994

Hartelijk dank voor uw brief. Ik stel het zeer op prijs dat u zoveel tijd voor me uittrekt. Zelden krijg ik de gelegenheid te corresponde­ren over zaken die me zo na aan het hart liggen. Op dit moment sta ik zelfs te popelen om van wal te steken. Eergisterenmiddag vond ik namelijk de ontbrekende schakels van een aardige geschiedenis die ik u niet zal onthouden:

Het verhaal begint in het 18e eeuwse Venetië bij graaf Gasparo Gozzi (1713 – 1786). Of bij zijn broer Carlo. Dat kan namelijk ook want ze waren allebei (toneel)schrijver en criti­cus. Door een van hen werd in ieder geval een lijst gemaakt met 36 dramati­sche en tragische situa­ties. Hierbij moeten we denken aan thema’s zoals `Verloren Geliefden’ en `Een Onschul­dige Ver­dacht’. Volgens Gozzi zou al het menselijke handelen binnen deze 36 situaties te rubriceren zijn.

Eerst Schiller en daarna Goethe hebben geprobeerd dit schema onderuit te halen maar konden uiteindelijk niets anders con­stateren dan dat het allemaal klopte: er zijn niet meer en niet minder dan 36 dramatische situaties mogelijk en nodig. Toch probeert de Fransman Gérard de Nerval (1808 – 1855) het ook nog een keer in het blad `L’Artiste’. Op basis van de zeven doodzon­den bouwt hij een schema van 24 dramatische situaties, maar `Gulzig­heid’ is niet zo’n best uitgangspunt voor drama. Ook `Luiheid en Vadsigheid’ willen niet echt van de grond komen. Zijn poging vindt geen navolging. Continue reading ‘Brief 3’ »

Brief 4

Het Meeste komt Vaker Voor

Maandag 13 februari 1995

Het spijt me niet meer van u te horen. Gaat deze corresponden­tie een richting op die u niet be­valt? Misschien heeft u geen tijd gehad om te schrijven. Babbel ik te veel? Ik weet het niet. Mocht u wachten op het nakomen van mijn belof­te om iets te schrij­ven over weergave en illu­stratie, bij deze.

Als inleiding heb ik drie aantekeningen. De eerste speelt zich af in de Middeleeuwen maar begint bij Aristoteles. Die zou namelijk lange lijsten hebben samengesteld van de dingen die in de wereld voorko­men. Gewoon opsommingen zoals aap, noot, meisje, huis, boom, beest; zonder interpretatie of verkla­ring (al weet ik dat niet zeker want ik heb nog nooit zo’n lijst ge­zien). In de Middeleeuwen moeten die lijsten nog bestaan hebben. Als men bijvoorbeeld wilde weten hoe­veel benen een paard heeft, raadpleegde men eerder zo’n lijst dan het paard in de stal. Continue reading ‘Brief 4’ »