Brief 2

Het Meeste komt Vaker Voor

Vrijdag 4 november 1994

“Er is niets poëtischer dan de werkelijkheid”. Zo mag ik het horen! Zeer verguld ben ik met uw brief van 16 oktober.

“Droge feiten bestaan eigenlijk niet”, hoera! Wellicht kan ik me nu een paar kant­tekeningen veroorloven.

 

 

Ik meen dat er verschillende soorten feiten zijn. Veel is inderdaad persoonlijk gekleurd, ook in de wetenschappelijke wereld, maar er zijn ook onbaatzuchtige feiten. Feiten die geen rol spelen binnen onze eigen opvattingen maar waar we wel op terug kunnen vallen. De belangloze feiten: de zon komt `s ochtends al op in het oosten voordat ik daar ook maar iets van wil vinden. Of de feiten die met algemene stemmen worden aangenomen: gras is groen omdat groen de kleur is van gras. En dan zijn er ook nog zaken waar niemand omheen kan zodat er wel een consensus moet ontstaan: als 6 miljard mensen niet door een betonnen muur kunnen lopen wil ik graag geloven dat die muur er inderdaad staat. Met betrekking tot mijn eigen huis en rust acht ik dit belangrijk.

Dit zijn flauwe opmerkingen maar het lijkt me gevaarlijk om ze niet te maken. Als de werkelijkheid afhankelijk is van de blik die we er op werpen dan is de andere kant op kijken de oplos­sing voor alle proble­men. Als we de werkelijkheid al te rela­tivis­tisch (subjectief) opvatten, zoals b.v. de wetenschapsfi­losoof Latour doet, dan zou het sluiten van de ogen bij wijze van spreken al kunnen leiden tot het verdwijnen van de wereld. Is dit niet de essentie van het kinder­spelletje `kiekeboe’? (Als ik mijn ogen dicht doe, besta jij niet en kan je me dus ook niet zien. En als jij me niet kan zien besta ik dan nog wel?)

Een dergelijk egocentrische zienswijze overvalt me nogal eens op vakan­tie: bij het binnenrijden van een nieuw dorp kan ik me nooit voorstellen dat die mensen er de vorige dag ook al waren. Ook heb ik altijd het vermoeden dat na mijn vertrek het hotel wordt gesloten en het dorp afgebroken. Dat de dorpelin­gen die bij dit merkwaardige proces betrok­ken zijn vreemde talen spreken is niet meer dan logisch. Een aardig proefje is de poging om een klein buitenlands dorp voor de geest te halen. Daarbij is het niet de bedoeling je zo’n dorp te herinneren maar om het je in het heden en zonder jezelf ter plaatse voor te stellen.

In mijn eerste brief vertelde ik over een appel die zonder kennis van de gravitatiewetten uit een boom viel. Het is nog mooier: er vallen zelfs appels uit bomen die nog nooit door mensen zijn gezien (al is dit natuur­lijk maar een vermoeden). De werkelijkheid gaat ook zonder ons wel door.

Dit is natuurlijk in geen enkele tegenspraak met wat u schrijft over het (kunnen) kennen van de wereld en dat elke vorm van kennis in wezen subjectief is. Wat ik echter wil voorkomen is de omdraaiing waarbij de wereld zèlf als de subjectieve afgeleide van de gedachte wordt gezien. Het belang dat ik bij deze opvatting heb hoop ik duidelijk te maken middels een tweede kanttekening bij het begrip `droge feiten’. Over wat als `droog’ wordt beschouwd.

Als de gegeven feiten de volgende zijn:

1) De eerste mensen ontstonden ongeveer 2 miljoen jaar gele­den,

2) Ongeveer 250.000 jaar geleden leerden de mens zelf vuur te maken,

dan slaat de kilte me ogenblikkelijk om het hart. Nondeju, eerst helemaal geen vuur en daarna honderdduizenden jaren afhankelijk van bliksemin­slag en gloeiende kooltjes en dat terwijl er net een ijstijd aan de gang is.

Zijn genoemde feiten dus poëzie?

Het taalgebruik is volstrekt onbelangrijk: het bezit geen metrum, geen rijm en geen beeldspraak. En er is ook geen sprake van een persoonlijke expressiviteit. Toch ontroert het me. Maar wat gebeurd er dan wel? Bestaan er epische en lyri­sche feiten? Bestaat er een autonome expressivi­teit? Of eigen ik me de gegeven feiten toe en interpreteer ze zonder het te beseffen als beeldspraak voor verlatenheid, onbeholpen­heid etc.?

Hoe het ook moge zijn, van een schilder die naar `het leven’ werkt worden landschap­pen & portretten verwacht en niet de molecuul­structu­ren van een twintigtal aminozuren. Van een kunstenaar verwacht men dat hij middels zijn verbeeldings­kracht in staat zou zijn om de waarheid achter de zichtbare dingen te ontdekken en deze te verbeelden in zijn werk. (Vgl: “The true artist helps the world by revealing Mystic Truths”, 1967 – Bruce Nauman) En als dit alles niet lukt, verwacht men op zijn minst een expressieve poging waaruit het verlangen daartoe blijkt. Als de wetenschap achter de zichtbare dingen de aminozuren (gravitatiewetten, geschiedenis, etc) ontdekt, blijft mijn vraag of ook dat poëzie (“Mystic Truths”) kan opleveren, terwijl dit niet de opzet was en zonder dat er sprake is van persoonlijke expressie. Ik denk en hoop van wel. Net zo goed als dat ik hoop dan een kunstwerk slechts een illu­stratie van de werkelijkheid mag zijn; al ligt dit niet een­voudig. Enerzijds hebben we geconstateerd dat alles dat we weten van de wereld subjectief is, waardoor `de werkelijkheid’ in wezen een eenzaam begrip is. En anderzijds stellen we: “Niets poëtischer dan de werkelijkheid”.

Vinden we dus alleen onze eigen werkelijkheid poëtisch of onder­schatten we dan ons voorstellingsvermogen ten opzichte van de anderen? Of zijn mensen misschien helemaal niet zo uniek en verschillend?

Het leven is kort en klein, maar het is alles dat we hebben. Dat we er zo groot mogelij­ke dimensies aan proberen te geven is niet meer dan vanzelfsprekend. De grootste dimensie is niet het persoonlijke maar het menselijke. Zodoende wil ik het persoonlijke dan ook niet benadrukken en, voor zover dit kan, de zaken zo objectief mogelijk houden. Dit is niet onper­soonlijk – het subjectieve laat zich toch niet aan de kant schuiven – het is afstandelijk (in de voor mij positie­ve betekenis van afzien van deelname, beschouwend, observerend etc.). Deze poging om zo min mogelijk belang aan het persoon­lijke te hechten, is tevens de reden voor mijn eerste kanteke­ning over verschillende soorten feiten: Als de zon om onze hoofden draait wil dat nog niet zeggen dat de aarde het mid­delpunt is.

Veel van wat hierboven staat is retorisch. Ik probeer mijn gedachten op u uit en dat is misschien niet erg netjes. Liever had ik u geschre­ven wat ik ongeveer van plan ben te doen met de volgende tentoon­stelling maar zelfs voor een schetsmatige opzet is het te vroeg. Bovendien wil ik ruimte vrij houden voor wat onze correspondentie eventueel oplevert. Grappig vind ik het overigens dat u de emotionele lading die een wiskun­dig model kan hebben benadrukt terwijl ik het be­langrijk vind om de kunst van het persoonlijke expressieve te ontdoen. Alsof de oude traditie: wetenschap is objectief / kunst is subjectief, door ons beiden is verlaten om vervolgens de zienswijze van `de ander’ te onderzoeken. Aan het werk dus.

“Alles hangt met alles samen. (…) Om het ene te verklaren of te begrij­pen, ben je dus wel gedwongen al het andere in je schema mee te nemen, enzovoort.” Het is duidelijk; ik kan niet zo maar een voorbeeldige gebeur­tenis uitzoeken om u naar aanleiding daarvan te vragen `wat wiskunde’ op papier te zetten. Toch is dit precies wat ik wel wil doen. In mijn vorige brief zei ik het al: “een ontmoeting voorstellen als een diffe­rentiaalverge­lijking spreekt mij zeer tot de verbeelding.” Een ontmoeting dus tussen twee mensen; laat ik ‘ns kijken hoever ikzelf kom:

Natuurlijk zijn er oneindig veel mogelijkheden. Met als varia­belen: mannen, vrouwen, chagrijnig, en vrolijk tel ik al 10 verschillende soorten ontmoetingen. Dat is nog te overzien in vergelijking met het aantal wendingen dat elke ontmoeting kan nemen.

Een vrolijke vrouw komt een chagrijnige man tegen en ze troost hem, of ­ze loopt snel door naar een andere vro­lijke vrouw. Een chagrijnige man komt een andere cha­grij­nige man tegen en het wordt vechten, maar misschien eerst drinken, en daarna pas vechten. Terwijl bij een ont­moeting tussen de chagrijnige man en een chagrij­nige vrouw drinken en vechten niet wordt uitge­slo­ten maar minder waarschijnlijk is: wie gaat er nou drin­ken met een chagrijnige vrouw?

Bestrijdt u zó al die oneindige variabelen: alles is mogelijk maar weinig is waar­schijn­lijk. Zijn de mogelijkheden groot maar psycholo­gisch beperkt (maar waar laten we de uitzonderin­gen?) of geeft wiskunde de mogelijkheid om oneindige reeksen (on)waar­schijnlijk­heden te verwer­ken?

Nogmaals als de wiskunde daartoe inderdaad instaat is dan houd ik me aanbevolen. Een tafel en twee stoelen. Met als enige tekst een wiskundig model die alle soorten ontmoe­tingen en mogelijke aflopen in zich beslo­ten heeft. Prachtig! En zou de verklaring van de in het model gebruikte tekens, en het om­schrijven van de verzamelingen & matrices, niet alle wanden in beslag nemen?

U schrijft dat bepaalde waarden van relevante variabelen een relatie van diepe vriend­schap of zelfs liefde kunnen beschrij­ven. Ook daar ben ik zeer benieuwd naar. Heeft u daar al aan ge­werkt of bedoelt u dat dit mogelijk is? En maak ik het u makkelijker door niet naar het mathematisch model van een ontmoeting zonder voorwaar­den te vragen maar alleen naar het wiskundige verschil tussen een ontmoeting uit liefde en een ontmoeting uit haat? Uw werk doet me denken aan de problemen die vertalers van poëzie tegenkomen: iets staat al in de kortste heldere vorm maar moet toch veranderd worden in een andere kortste heldere vorm. Waar kies je uit; blijft het rijm intact maar worden de zinnen krom? Gaat het om het ritme van de klanken of juist om de feitelijke mededeling? Enzo­voorts.

Gezien de complexiteit van uw modellen lijkt het alsof ze in een schaal van 1:1 op de werkelijkheid willen passen. Waarbij elke richting die de wereld inslaat een diep spoor achterlaat met ongebruikte variabe­len en gemiste kansen. Het leven is kort en klein maar binnen uw modellen is alles nog mogelijk.

De schrijver Milan Kundera antwoordde op de vraag wat het hande­len van zijn persona­ges bepaalde, dat hij die personen paden laat bewandelen waar hij zelf niet voor gekozen heeft. Een leven is maar voor één keer. Elke keuze sluit eindeloos veel andere mogelijk­heden uit. De anderen dan de ik-persoon zijn een onderzoek naar de overige mogelijkhe­den.

Bij deze wil ik mij op voorhand verontschuldigen voor alle verkeerd begrepen ideeën, en het aan de wandel gaan met door u niet bedoelde conclusies. Aan de andere kant is het misver­stand de basis van elke dialoog zoals mutatie de basis is van evolutie.

Met de vriendelijke groeten,