Brief 4

Het Meeste komt Vaker Voor

Maandag 13 februari 1995

Het spijt me niet meer van u te horen. Gaat deze corresponden­tie een richting op die u niet be­valt? Misschien heeft u geen tijd gehad om te schrijven. Babbel ik te veel? Ik weet het niet. Mocht u wachten op het nakomen van mijn belof­te om iets te schrij­ven over weergave en illu­stratie, bij deze.

Als inleiding heb ik drie aantekeningen. De eerste speelt zich af in de Middeleeuwen maar begint bij Aristoteles. Die zou namelijk lange lijsten hebben samengesteld van de dingen die in de wereld voorko­men. Gewoon opsommingen zoals aap, noot, meisje, huis, boom, beest; zonder interpretatie of verkla­ring (al weet ik dat niet zeker want ik heb nog nooit zo’n lijst ge­zien). In de Middeleeuwen moeten die lijsten nog bestaan hebben. Als men bijvoorbeeld wilde weten hoe­veel benen een paard heeft, raadpleegde men eerder zo’n lijst dan het paard in de stal. Althans, zo is mij dat verteld met de bedoeling duidelijk te maken dat empirisch onderzoek niet altijd van­zelfspre­kend is geweest. “Men had slechts een matige belang­stelling voor de aardse werkelijkheid, die voornamelijk het domein was van pest en hongersnood. Een verganke­lijke wereld waar men zich gemak­kelijk uit terug kon trekken. Het Christen­dom was sterk naar binnen gericht en dat verklaart waarom kloosters in aanzien stonden en kluizenaars zich van de wereld afkeerden om zich voor te bereiden op een ander en eeuwig leven”.

De tweede aantekening gaat over Calvijn en speelt zich uiter­aard wat later af: “Maar waarom zouden we in een hoekje zitten mediteren? Als God de gehele schepping heeft geschapen dan is binnen blijven een belediging. Believen we slechts een droog crackertje terwijl onze Gastheer een vijf gangen menu ser­veert?” Hierdoor gaf hij een legitimatie en een impuls aan diege­nen die de natuur op systemati­sche, wetenschappelijke wijze wilden bestude­ren. Ook in de 15e eeuw bestonden er onderzoekers maar de princi­piële kerkelijke vraag: “Mag alles geweten worden”, was ontkennend of niet beantwoord. Na de periode van, onder ande­re, Calvijn kon een goed Christen zich niet meer van de wereld afwenden. Johan­nes Keppler bestudeerde de banen der plane­ten; Galileo Gali­leï rolde bal­letjes langs een helling waardoor er belle­tjes klin­gelden. De blik­rich­ting draait van binnen naar bui­ten. Van meditatie naar studie.

Mijn derde aantekening speelt zich ook af rond 1600 maar dan in Nederland. Over de schilderkunst schrijft men: “We zien een ver­schuiving van verbeelding naar observatie, van werelden samenge­steld uit verzonnen onderdelen naar tafe­relen opgebouwd uit onder­delen die het nuchtere oog waarnam.”

Waarschijnlijk heb ik u met deze drie opmerkingen niets nieuws verteld. Ik probeer alleen op een min of meer logische wijze uit te komen bij wat de eerste wet van empirisch onderzoek zou kunnen zijn, namelijk: Veel en gedul­dig uit het raam kijken (en het wordt nooit meer zoals het was). Dit is het domein van het nuchtere oog, van tele- en microsco­pen. Het is de `zien-is-geloven’ wet, waarbij verbazing en nieuws­gierigheid aan de waarne­ming vooraf gaat, en een theo­rie de boeken sluit. We slijpen onze lenzen en gaan alle mogelijke vlin­ders vangen.

Tot aan het onvermijdelijke moment waarop we het allemaal wel ge­zien hebben. Het was koud op de Mount Everest, vochtig in Peru, en de Nijl ontspringt in Lake Victoria. Er zijn heel veel vogels en nog meer insekten. Kortom: het was leuk, we zijn een stuk wijzer gewor­den, maar het is nog niet genoeg. We begrijpen nog steeds niet alles. De hoogste tijd voor een nieuwe wet; een tweede wet van empi­risch onder­zoek. Een wet die niet alleen het zien behandelt maar vooral het door­zien, en zich richt op de vorming van begrip­pen en het benoe­men van on­zichtbare struc­turen. Hier­bij ligt de nadruk minder bij de waarneming en meer bij het schiften, analyseren en inter­prete­ren. (Dit lijkt in eerste instantie voor de hand liggender dan dat het is. Toen men onlangs in de Nationale Weten­schapsquiz vroeg hoeveel zwarte gaten er tot nu toe in het heelal ontdekt zijn, was het `juis­te’ antwoord “geen” omdat je zwarte gaten per definitie niet kan zien. ‘Zien is geloven’ baseert zich op de eerste wet; de tweede erkent vele andere methoden om iets aan te tonen en te bewij­zen.)

Aangezien het dus om onzichtbare fenomenen en begrippen gaat, zijn we afhankelijk van een weergave. Het heeft geen zin om een schilde­rij te maken van een zwart gat maar misschien wel van een tijd / ruimte diagram waarbij net voor de grens van de waarne­mingsho­rizon een anti-deeltje ontsnapt (olieverf op doek?). Moeilijk? U heeft het er al eerder over gehad, dat is volkomen afhan­kelijk van de vertrouwdheid met de gebruikte `taal’. De weergave van onzichtbare fenomenen en begrippen (“Mystic Truths”) gebeurt met schematische voorstellingen, computermo­del­len, grafie­ken, tekst, en natuurlijk kunst. In de kunstwe­reld verlangt men daarbij dat die weer­gave gelaagd, en zeker niet éénduidig is; in de weten­schap is dat precies anders­om. Ik heb werkelijk geen idee waarom dit zo verdeeld is.

Als in de werkkamer van een hoogleraar een ingelijst compu­termodel hangt, geeft dat niet alleen een bestudeerd feno­meen of begrip weer. Waarom werd nu juist dìt onder­zocht en niet iets anders?  Waarom wordt het be­schouwd als een structuur, een model, een verhelde­ring of een antwoord? Bij elk onderzoek past een aantoonbare werkelijk­heid. Het zijn echter de voor­keuren en de fascinaties van de weten­schapper die het onder­zoek bepalen. Zo kunnen we `de bo­men’ indelen in sub-groepen zoals eiken, lin­den, en sparren. Deze indeling is aantoonbaar, uit te leggen, en iemand anders kan het nadoen. We kunnen de bomen ook rubri­ceren als naald- en loofbo­men; of als hoge bomen en lage; bomen binnen het dorp en bomen erbui­ten. Nog steeds is alles aan­toonbaar en geloof­waar­dig, maar elke gevonden structuur is niet meer dan een benoe­ming. Een voorkeur van de ene orde boven de andere. De metho­diek van een weten­schap­per is die van een per­soon­lijke objec­tivi­teit.

Voor de eerder genoemde hoog­leraar met een ingelijst compu­ter­model aan de muur, kan één streep of één punt in dat schema van zeer grote, zelfs per­soonlijke, betekenis zijn. Voor de leek is die betekenis uiteraard niet zichtbaar, die ziet alleen een onmogelij­ke wiskundige vergelijking of een slordig stukje papier met een dia­gram. Het zal trouwens duidelijk zijn dat niet ingewij­den op precies dezelfde manier naar kunst kijken.

  1. De wetenschapper moet zijn plaatje kunnen uitleggen en vroe­ger of later zal een student begrijpen wat ermee bedoeld wordt: de bestudeerde fenomenen zijn weliswaar onzichtbaar maar toch ook reëel en aan­toonbaar. Dat de student ogenblik­kelijk andere con­clu­sies zou kunnen trek­ken uit het getoonde doet verder niet ter zake. Een kunstwerk daarentegen hoeft niet te `kloppen’ (met de buiten­we­reld) en is niet verifieerbaar. Hierdoor wordt de rol van de kunstenaar zelf, steeds belang­rijker. Dit heeft een aantal nevenef­fecten die ik door­gaans niet erg op prijs stel. (Nog steeds kijk ik liever naar een schilderij van een smaak­papil dan dat iemand me vertelt wat die lekker vindt.)
  2. Het wetenschappelijke plaatje geeft niets om zijn uiter­lijk. Er zijn geen pictura­le waarden; het doet er niet toe `hoe de verf op het doek zit’. Een we­tenschap­pelijk plaat­je bezit hooguit een innerlij­ke spanning maar is in zijn uiter­lijk bij voor­keur helder, overzich­telijk en ééndui­dig.

Toen ik me in een eerdere brief aan u afvroeg of een kunstwerk een illustratie mag zijn, bedoelde ik niet “een afbeelding van taferelen waargenomen door het nuchtere oog van de schilder”, zoals in de 17e eeuw. Ik bedoelde de weerga­ve van `aan­toon­bare‘, maar onzichtbare, fenome­nen en begrippen. Zoals de meest rea­listi­sche en figura­tieve weerga­ve van een zwart gat alleen maar een diagram kan zijn. Omdat ik dit, net als in de weten­schap, hel­der, over­zichtelijk en éénduidig wil doen, heb ik het woord illustratie gebruikt. De per­soonlijke ex­pressie wordt daarbij ingege­ven door een fasci­na­tie en niet door de fantasie. Een aan­schouwe­lijke illustratie waarbij de picturale waarde nihil mag zijn. Bijvoor­beeld een schilde­rij van een kalme zee, stam­pend vol verschil­lende typen red­dingsbo­ten. Een schil­derij als toe­lich­ting of instructie.

Of een arena waarin meerdere fases van een stierengevecht zich tegelijker­tijd afspelen: Een verbaasde stier maakt een groots entree terwijl een span paar­den zijn lijk al naar de uitgang sleept. Het leven als een flits; meer­dere momenten gezien als één uitzicht (chronogra­fisch kubisme?).

Of de bekende dwarsdoorsnede van een kathedraal waarbij je je tegelij­kertijd bevindt in de refter en de klokkentoren, als in de schoenen van de bouwmeester en een gelovige. Allemaal zaken die niet letterlijk voorkomen maar toch realis­tisch zijn. Maar wat toont het aan? Ben ik bang dat de wereld niet `klopt’? Is kunst speculatief en accepteer ik uitsluitend nog uitspraken die bewezen kunnen worden? Ben ik achterdoch­tig? Loop ik tel­kens naar de stal om de benen van mijn paard na te tellen?  Kan je tegelij­kertijd een hartslag opnemen en de vraag stellen waarom het klopt?

Persoonlijke vragen die misschien binnenskamers moeten blij­ven, maar toen de krant schreef dat een serieus man werkt aan een wiskundi­ge toverformule die alle menselijke ontmoe­tingen omvat en beschrijft, kon ik niet anders dan daarom vragen. Dat het zien van de wiskun­di­ge ­ver­gelijking in een tentoon­stel­ling geen emotie oproept, en niet tot de ver­beel­ding spreekt, vond ik niet belang­rijk. Of zoals u schreef: “Doen de woorden `vriendschap’ of `liefde’ dat wel?” Het is zelfs niet belang­rijk of de tentoon­gestelde wiskunde ‘klopt’ want wij, leken die niet vertrouwd zijn met uw taal, kunnen immers toch niets verifiëren. Maar helaas, de tentoonstellingsruimte wordt niet gevuld met alle moge­lijke menselijke ontmoetingen. Wat de reden precies is weet ik natuurlijk niet, maar u heeft besloten `de formu­le’ niet uit handen te geven. Naar ik aanneem omdat uw werk nog niet is afgerond. In uw laatste brief schrijft u over een onderdeel dat blijkbaar wèl is voltooid: “In mijn werk komt een zogehe­ten sympa­thie-functie voor die bedoelt weer te geven hoe belang­rijk of waardevol de een voor de ander is. Ik zal u die nogal ingewik­kelde functie besparen (ook omdat het uitleg­gen ervan het schrijven van een omvangrijk opstel zou ver­gen)”. Jammer, als iemand kan uitleggen hoe waardevol de een voor de ander is, dan is ook dat niet niks.

Ik dwaal weer eens af terwijl ik niet eens weet of u deze corres­pondentie nog op prijs stelt. De belangrijkste vraag moet nog ge­steld worden: hebben mensen er wel be­hoefte aan om de werkelijk­heid te kennen? Zo nee: hoe leren we de werke­lijkheid òntken­nen? Spreken indrukken en verhalen niet veel meer tot de ver­beelding dan argumenten en bewijs­stukken? Als iemand een biefstuk bij je komt eten, moet je niet gaan ver­tel­len over het slachthuis. Het verpest de avond. Beter is het te vertellen over een lachend varken­tje met een koksmuts op.

Mensen Moeten Mythen; of die mythe nu het geloof van de medi­terende kluizenaar is, de expressie van de geniale kunstenaar, of de antwoorden van de wetenschapper. Allemaal sprookjes, maar zonder verhalen is het leven wel erg ontluisterend. En als we eerst ergens betekenis in­stoppen dan is het toch niet slecht er later zingeving uit te halen?

Waarom zou je houden van de werkelijk­heid als je er toch niks aan hebt? De dingen hebben van zich­zelf helemaal niet zo veel betekenis, of een knullige. En als we de waarde van dingen willen om­schrij­ven dan zouden we eventu­eel genoegen moeten nemen met een zakelij­ke duiding over aanwezigheid en werking. Deze ontluistering vind ik op zichzelf een spannend feno­meen.

Als duizend apen duizend jaar lang op schrijfmachi­nes slaan dan ontstaat Shakes­peare’s “Romeo en Juli­a” (situatie 4) van­zelf. Met oog op de kansbereke­ning is dit onvermij­delijk. Er zullen echter ook ver­sies ont­staan waarin ze helemaal niet op elkaar verliefd worden maar op andere, nog onbe­kende mensen. Of versies met een ge­lukkige afloop.

Dezelf­de kans­bere­kening, en het feit dat er miljar­den mensen leven en geleefd heb­ben, maakt het niet minder waar­schijn­lijk dat u en ik bestaan. Niets mense­lijks is vreemd en ik zal met groot enthousias­me onderne­men wat al ontelbare keren is ge­daan. Maar uit­einde­lijk kan ik geen dieper betekenis aan mijn bestaan ont­lenen dan: het moest er een keer van komen.

(Mijn innerlijk kan ik daar rustig buiten houden.)

Met de vriendelijke groeten,