Voor het open raam

De prijsvraag ‘Het meest autonome kunstwerk van 1998′ is een wedstrijd waar je niet zomaar aan deel kan nemen. Daarvoor is de vraag te absurd. Hoe kan je competitie voeren met de autonomie van een kunstwerk? Een autonoom kunstwerk is een bronzen beeld op een sokkel of een schilderij in een witte ruimte maar niet iets waar je een jury op loslaat. De begrippen autonomie en jurering staan zelfs haaks op elkaar.

Met deze prijsvraag wordt dan ook niet een aantal kunstwerken ter jurering voorgelegd maar het begrip autonome kunst. Wanneer is iets autonoom? Hoe vanzelfsprekend is de autonomie van de kunst? Nadat ergens halverwege de vorige eeuw kunstenaars zich bevrijd hadden van allerlei sociale en morele doelstellingen die aan het maken van een kunstwerk vooraf gingen is dat het geval. Destijds heette dat l’art pour l’art en het wordt nu autonome kunst genoemd maar de bedoelingen zijn hetzelfde: een kunstwerk beantwoordt alleen aan haar eigen regels en kent geen voorwaarden. Kortom niets dat houvast biedt voor jurering. De kunst is een vrijstaat; een kunstwerk bestaat alleen omwille van zichzelf.

De gevolgen zijn bekend. Als een kunstwerk werkelijk autonoom is, dan bevat dat kunstwerk alle informatie die nodig is om het te kunnen waarderen. Al het andere is overbodig. En dus ‘verautonoomde’ ook de expositieruimte tot uiteindelijk een witte doos overbleef. Deze doos is leeg op het kunstwerk na. Neutraal gefilterd licht dwarrelt door het plafond naar beneden zonder dat de bezoeker in omgekeerde richting wolken of vliegtuigen kan zien. Ramen ontbreken en het enige dat nog van invloed kan zijn op de manier waarop we het kunstwerk ervaren, is het schilderij dat er naast hangt. Dat hangt op gepaste afstand. Natuurlijk is er ook een bordje met daarop de titel van het werk en de naam van de kunstenaar. Zo’n bordje is klein en bevat zo min mogelijk informatie. Verder is het kunstwerk volkomen zelfstandig. De bezoeker gaat ervoor staan, concentreert zich en kijkt er naar. Daar is niks mis mee maar ik krijg het wel een beetje benauwd. Is een autonoom kunstwerk niet tegelijkertijd een beetje autistisch? Is het niet op zijn minst een beetje vreemd om in een gesloten witte doos naar kunstfilmpjes te kijken waarop vliegtuigen overvliegen of wolken voorbij drijven? Is het weerbericht van vandaag niet alleen interessant voor gedetineerden en bedlegerigen? De rest steekt toch gewoon zijn kop uit het raam. Of niet?

Kunstenaarsinitiatieven zijn doorgaans geen witte dozen. Het zijn fabrieken, scholen, of voormalige woonhuizen. Natuurlijk kan je die ook wit schilderen maar zelfs dan ontstaat er geen steriele ruimte. In principe zijn kunstenaarsinitiatieven ongeschikt voor het tonen van autonome kunst. In het Stedelijk museum in Amsterdam gebeurde het omgekeerde maar met hetzelfde resultaat. Enkele jaren geleden zijn een aantal zalen gelegen aan de van Baerlestraat (opnieuw?) in gebruik genomen als tentoonstellingsruimte. Het zijn de enige grote zalen in het museum met ramen op ooghoogte. Ze bieden uitzicht op een drukke straat en juist in deze zalen is de sfeer opmerkelijk en elke dag anders. Volgens de theorie is regen, zonlicht en herrie niet goed voor het tonen van autonome kunst.

Het zijn op zichzelf weinig indrukwekkende tendensen. Alternatieve tentoonstellingsruimtes zijn er altijd geweest. Ook de aan- of afwezigheid van een raam is niet voldoende om de autonome kunst te grave te dragen. Maar er is veel meer aan de hand. Als vrijheid vanzelfsprekend is, is het volledig bepalen van eigen regels geen uitdaging meer. Een geleende trui is net zo warm. Veel persberichten maken tegenwoordig melding van de vervaging tussen het ene begrip en het andere. Ik lees daarin de behoefte om het isolement van de autonome kunst te doorbreken. Geen eilandjes en gesloten dozen maar bruggen en tunnels. Koppelingen en verbanden. Zoals de dames van de PTT in vroegere tijden met stekkers en snoeren de gevraagde gesprekken tot stand brachten, zo bemiddelt tegenwoordig de kunst. Of dat nu een New Age gedachte is (alles hangt met alles samen) of postmodern is (er bestaat geen enkelvoudig systeem; er zijn alleen maar interactieve fragmenten) of weer iets anders, dat doet er niet echt toe. Feit is dat er ergens een raampje open staat.

In formele zin gaat het nog steeds over autonome kunst. Zelfs de meest context gevoelige postmodernist laat zich geen regels van buitenaf opleggen. Als een kunstenaar zich laat inspireren door andere kunstvormen, of zelfs door andere domeinen zoals sociologie en psychologie, dan gebeurt dat nog steeds in alle vrijheid. Er bestaan nog steeds geen geformaliseerde regels waaraan een kunstwerk moet voldoen. Een door de wetenschap geïnspireerd kunstwerk hoeft niet op een wetenschappelijke manier te kloppen. De kunst is nog steeds vrij. Het bezwaar is echter dat het woord autonoom geen uitdrukking geeft aan de behoefte om de invloed van andere disciplines op te zoeken. Het maakt een sterk op de buitenwereld gericht karakter niet duidelijk. Deze kunst is juist niet meer op zichzelf; is niet los van de rest. Voor een kunstwerk dat zich nadrukkelijk wil bemoeien met de wereld en alles wat daar op voor komt is ‘autonoom’ gewoon geen goede aanduiding.

Door de relatie die de hedendaagse kunst aangaat met andere disciplines is zij niet meer geheel onafhankelijk. Als je een raampje open zet, regent het in. Dat is zelfs nadrukkelijk de bedoeling en in vergelijking met autonome kunst lijkt deze kunst zelfs onvolledig te zijn. Alsof er stukjes aan het verhaal ontbreken en dus moeten worden toegevoegd. Deze afhankelijkheid van invloeden die buiten het kunstwerk liggen, vind ik van wezenlijk belang. Het is nog een reden waarom het begrip ‘autonome kunst’ niet meer toepasselijk is. De hedendaagse kunst ontwikkelt een wortelstelsel dat alle kanten opschiet en kan daarom niet begrepen worden zonder gesprek, zonder (voor)kennis, zonder reiservaring, zonder A4-tje. Juist dit ‘niet kunnen begrijpen zonder aanvulling’ is altijd gezien als zeer kwalijk. Kunst die aanvulling nodig heeft is slechte kunst (lees: niet-autonome kunst). Deze mening moet maar eens veranderen. Complexe systemen zijn een vertrouwd verschijnsel geworden en kunnen ook zonder over een compleet overzicht te beschikken intuïtief benaderd worden. Alles heeft immers toelichting nodig. Het wordt er alleen maar leuker op als ook de toelichting aanvulling behoeft.

De noodzaak tot toelichten en aanvullen wordt ook zichtbaar in de manier waarop kunst gemaakt wordt. Vroeger zocht de kunstenaar de rust en het isolement van een atelier op. Gestaag werd er doorgewerkt. Door studie en oefening werd de kunstenaar een specialist op zoek naar ‘de essentie’ of ‘de kern van de zaak’. Als een wetenschappelijke determinist werd er gezocht naar het molecuul; naar het kleinste deeltje waarin een stof verdeeld kan worden zonder het te veranderen. Dit volstaat niet meer. Aan één molecuul valt niet te zien in welke situatie de stof zich bevindt. Één molecuul dampt niet, één molecuul vloeit niet. Net zo min als één hersencel iets denkt of voelt. ‘De essentie’, eenmaal losgeweekt van haar omgeving, is letterlijk een kern van niks. Natuurlijk zijn kunst en wetenschap elkaar niets schuldig maar het is op zijn minst interessant om te zien hoe belangrijke fysische theorieën uit deze eeuw, de relativiteitstheorie, de kwantummechanica en de chaostheorie, omschrijvingen geven van respektievelijk verhoudingen, waarschijnlijkheden en onvoorspelbare interacties.

Laat ik voor het gemak maar even stellen dat als er van alles en nog wat gebeurt, het wel heel toevallig zou zijn als dat binnen het atelier was. Het atelier functioneert als studeerkamer of als een ruimte voor het maken van proefopstellingen maar goede ideeën ontstaan ook voor de tv en op de fiets. Het gestaag doorwerken aan een schilderij of de meditatieve worsteling met een berg klei voegt daar verder weinig aan toe. Niet de eerder genoemde schakelkast van de PTT is het kunstvoorwerp maar het tot stand gekomen gesprek. Verwonderlijk is dat natuurlijk niet. Ook zonder futuristische uitspraken te doen over het informatie tijdperk, kan je stellen dat diepgang overgaat in breedte. We wonen nu eenmaal niet meer in afgelegen dorpen zonder t.v. en telefoon waar je drie weken over een heel dik boek kan doen. Oriëntatie en het leggen van verbanden is een belangrijker vaardigheid aan het worden dan concentratie en het isoleren van een onderwerp. Alles heeft aanvulling nodig; alles is een vorm van toelichting. Zelf ben ik zeer gecharmeerd van aanvullende begrippen zoals ondertitels, inzetjes, voetnoten, aanhangsels, kanttekeningen, toevoegingen, commentaren, illustraties, uittreksels, voorwoorden, achterflappen en memoos. Zelfs het vermaledijde A4-tje als toelichting op een kunstwerk kan rekenen op mijn sympathie en in elk bordje zie ik een prachtig voorbeeld van onvolledige kunst.
Ik geef toe: dat is niet erg autonoom van me.

Robbert Ritmeester
November ’98