Mondriaans unvollendete

Nu nog een paar maanden. Straks nog een dag. Een laatste uur. Nog een minuutje de tijd om de champagne klaar te zetten en dan valt de deur achter ons dicht. Het tweede millennium is afgesloten. Het derde begint en we staan oog in oog met duizend lege jaren. We zullen er slechts enkele decennia van meemaken. Omdraaien kan niet meer, terugblikken wel. Was het tweede millennium ons millennium? Waren de jaren die we deelden met Dante, Mozart en Newton onze jaren? In dat perspektief is iedereen in dit millennium een tijdgenoot. Alsof we er zelf bij waren toen Masaccio de Brancaccikapel voorzag van louter meesterwerken. Zie je de snelheid waarmee zijn kwast de drogende kalk voorblijft? Voel je de dampige lucht? In onze jaren kijken we samen met Johannes Vermeer naar Delft. Het regent niet meer en de schilder heeft zojuist zijn werkzaamheden hervat. Onze tijd is vertrouwd; als de dag van gisteren.

Natuurlijk zijn er genoeg prachtige kunstwerken die bezit hebben genomen van dit millennium maar dat is niet voldoende. Om de wedstrijd te winnen moet een keuze gemaakt worden uit de werken die zich ook al meester hebben gemaakt van het komende millennium. Die als het ware vooruit zijn gesneld en ons staan op te wachten. Kleurige, schitterende lampionnen hoopvol hangend in een lange nacht. Losgezongen van hun eigen tijd. Levend op eigen kracht.

Welbeschouwd zijn de meeste kunstwerken in ons millennium eigenlijk geen kunstwerken. Ze zijn onderdeel van iets anders of ze zijn nooit bedoeld als kunstwerk. De miniaturist verluchtigt een boek waarbij de letters overgaan in tekeningen. Een muziekstuk wordt gecomponeerd voor een speciale gelegenheid. Beeldhouwwerken verfraaien het interieur. Het is het werk van vaklieden waarbij veel minder dan tegenwoordig een grens wordt getrokken tussen het een en het ander. Zelden was het de bedoeling om te kunnen zeggen: “Kijk daar, een kunstwerk!” Als we uit deze periode een kunstwerk kiezen als zijnde het belangrijkste van dit millennium dan zullen we een vracht aan omstandigheden moeten mee verhuizen. Waarom is het gemaakt? Wie was de opdrachtgever? Waar hoort het bij? Allemaal vragen die een werk kunstmatig moeten blijven verbinden met de oorspronkelijke omstandigheden. Kunsthistorische constructies met de smaak van oliebollen in de zomer. Dit soort werken willen helemaal niet leven op eigen kracht. Je moet ze niet alleen laten.

Bewust van dit probleem ontstond zo’n honderdvijftig jaar geleden een beweging die l’art pour l’art genoemd werd. Kunstwerken zouden voortaan alleen aan hun eigen regels beantwoorden. Ze zouden nergens meer aan vast zitten en ze hoefden geen enkel praktisch doel meer te dienen. Precies datgene wat we inmiddels autonome kunst noemen. Het succes was enorm en de gevolgen zijn bekend. Telkens opnieuw werden de regels der autonomie scherper gehanteerd. “Als een kunstwerk werkelijk autonoom is, dan is alles wat zich buiten het kunstwerk bevindt overbodig”, was de gedachte. Deze kunstwerken willen heel graag alleen zijn. Het leek een goed idee om ook de expositieruimtes autonoom te maken. De witte doos werd bedacht. Deze doos is leeg op het kunstwerk na. Neutraal gefilterd licht dwarrelt door het melkglazen plafond naar beneden zonder dat de bezoeker in omgekeerde richting de wolken of een overvliegend vliegtuig kan zien. Er kan nooit een raampje open. Zitjes en planten ontbreken en het is stil. Het enige dat nog van invloed mag zijn op de manier waarop we het kunstwerk ervaren, is het schilderij dat er naast hangt. Dat hangt op gepaste afstand. Natuurlijk is er ook een bordje met daarop de titel van het werk en de naam van de kunstenaar. Zo’n bordje is klein en bevat zo min mogelijk informatie. Verder is het kunstwerk volkomen zelfstandig. De bezoeker gaat ervoor staan, concentreert zich en zegt zachtjes: “Kijk daar, een Kunstwerk!”

Levende kunstwerken die vast zitten aan de wereld. Losse kunstwerken die vergeten te leven. Hoe moet het dan wel? Michelangelo heeft zijn beeldengroep De Slaven nooit voltooid. De gestalten zitten nog halfverzonken vast in de verder onbewerkte stenen. Logisch, een bevrijde slaaf is geen slaaf meer. Maar het zou ook, net als het open einde in de literatuur, een bewust gehanteerde stijlfiguur kunnen zijn die zich baseert op de suggererende kracht van het ‘on-affe’. Filmmuziek bezit die uitzonderlijke ‘ on-affe’ kwaliteit ook. Omdat de muziek bedoeld is bij de filmbeelden ontstaat er een merkwaardig gemis als die beelden uitblijven. De fantasie probeert de onbrekende delen in te vullen. Rij een dagje rond met filmmuziek in de walkman en je weet niet wat je meemaakt! Het ‘on-affe’ biedt mogelijkheden. Als de film de Titanic onvoltooid was gebleven, had Di Caprio nog een goede kans gemaakt. ‘Weten wanneer je ophoudt’ is een gevleugelde uitspraak in de kunstwereld. De meest radicale vorm daarvan ontstaat wanneer de kunstenaar komt te overlijden. Het werk dat dan in het atelier achterblijft is niet alleen ‘on-af’ maar zelfs Unvollendet. Bij een enigszins onvoorspelbare kunstenaar is dit een kwaliteit op zich.

Piet Mondriaan bleek zo’n kunstenaar te zijn. Als hij in 1940 in New York aankomt is hij achtenzestig jaar oud en houdt hij de essentie van zijn leven gevangen binnen een raster van zwarte lijnen. Een levenslange stilering en het geduldig zoeken naar de totale abstractie ging eraan vooraf. Het eindpunt lijkt bereikt en verder gaat het dus niet. Dit is optimale autonome kunst. Maar er gebeurt toch nog iets bijzonders. Mondriaan geeft de zwarte lijnen een kleur. Het in Amerika verkrijgbare gekleurde plakband zou daarbij een rol hebben gespeeld. Rode lijnen, blauw, grijs en geel. Wat eerst een begrenzing was, wordt een levende ader. Vanaf 1942 werkt Mondriaan twee jaar lang aan wat zijn grote finale zal worden. De gekleurde lijnen worden opgesplitst in kleinere stukjes met verschillende kleuren. Toetsen verf, nat in nat, en stukjes gekleurd plakband. Het onderscheid tussen de gekleurde stukjes lijn en de grote kleurvlakken wordt minder principieel. De lijnen vervagen en er komt beweging voor in de plaats.

 

Juist de man die er een levenstaak van maakte om de grenzen zo duidelijk en zo zorgvuldig te trekken, zet de deur open. Gooit het roer om. Het wordt druk op het schilderij. Het is een komen en gaan. De man die de kern van de zaak al gevonden had, is opnieuw begonnen! Ook de achterdeur staat nu wagenwijd open. De compositie verlangt geen afronding meer. Het tocht aan alle kanten. Net als in een fotoalbum met maar één bladzijde stapelen de gebeurtenissen zich op. Er wordt een rood stukje plakband geplakt op een blauw stukje. Hierdoor verschuift de compositie en moet ergens anders ook weer iets veranderd worden. Iemand toetert. De compositie rammelt. Er wordt een raampje open gedraaid. Er klinkt muziek. Een ander liedje. Het gele plakbandje moet worden overgeschilderd met blauw. Het schilderij wordt dikker en komt nu ook al naar voren. Het is geen schilderij meer. Het wordt een muziekstuk voor claxon en trompet. En als Mondriaan op 1 februari 1944 in New York sterft laat hij een schilderij achter dat nog aan staat.

Pas veel later komt het doek in het Haags Gemeentemuseum te hangen. Niet voor het open raam, zoals het schilderij het liefst zou willen, maar gewoon aan een spijkertje op zaal. Daar hangt het meest met het leven verbonden schilderij dat ik ken op ons te wachten. Het is het onvoltooide werk van een eenenzeventig jarige man die met moed en hoop aan de toekomst begon: Victory Boogie Woogie; Unvollendet op vol volume.