Brief 1

Het Meeste komt Vaker Voor

Vrijdag 7 oktober 1994

In het NRC-Handelsblad van 29 september j.l. stelt een van uw critici, Dhr. Koppelaar: “Een ontmoeting van twee tijgers modelleert hij via differentiaalvergelijkingen alsof die tijgers die differenti­aalvergelijkingen in werkelijkheid oplossen. Dat is geen wetenschap, eerder kunst”.

Alsof een appel kennis moet hebben van de gravitatie wetten om te kunnen vallen en het heelal weigert uit te dijen zonder de constante van Hubble. Als de natuurwetten de ‘ziel’ zijn van de dode dingen dan kan ik me voorstellen dat een beweeglijke wiskunde, zoals die van matrices en differentiaalvergelijkin­gen, de gedragingen van de levende dingen kan beschrijven.

Interessant is het dat u blijkbaar probeert een wiskundige vorm te vinden voor alle aspecten van het menselijk bestaan. Dat dit afschu­welijk ingewikkeld is wil ik graag geloven.

Als beeldend kunstenaar geef ik Koppelaar graag gelijk: een ontmoe­ting voorstel­len als een differenti­aal vergelijking spreekt mij zeer tot de verbeelding. In mijn vorige tentoon­stelling (Breda, Lokaal 01, Mei 1994) heb ik geprobeerd erach­ter te komen of een aantal `droge’ feiten poëzie kunnen ople­veren. Met oog op de volgende expositie (Kunstruimte Kampen – maart 1995) zou ik u willen vragen: heeft Koppelaar gelijk? Kunt U een ontmoeting wiskundig voorstel­len? En blijft er in een derge­lijke verge­lijking iets zicht­baar van de sub­jectieve motieven; hoe intiem kan wiskunde worden? Maakt het voor u uit of het om een ont­moeting van twee mensen gaat of om groepen?

Waarschijnlijk komt het er op neer dat deze vragen buiten de orde liggen of te simpel zijn, maar zou u kunnen aangeven waar de raak­vlak­ken dan wel liggen?

Ik begrijp dat u voor de beantwoording van deze vragen geneigd bent te verwijzen naar uw publicaties, en gelijk heeft u, maar ik zou er waar­schijnlijk niets van begrijpen. Mijn is eerste vraag is kortom: kunnen we over genoemde onderwerpen corres­ponderen?

Met de vriendelijke groeten,