Delen van een overzicht

Uitwisseling over de aanstaande tentoonstelling – 3 januari 1994

Beste,
Het is misschien al een beetje laat (gelukkig Nieuwjaar!) om nog met een paar ideeën over kunst en wetenschap te komen maar bij deze dus als nog. Ik hoop dat je: er nog wat aan hebt. Zeker als wetenschap de invalshoek voor dit jaar is wil ik je duidelijk maken dat het mij niet gaat om de wetenschap zelf. Of om de wetenschappelijke resultaten. Wat mij interesseert zijn de drijfveren. De nieuwsgierigheid; de behoefte om er achter te komen hoe de wereld in elkaar steekt. De behoefte naar antwoorden.

Op die manier is ontdekt en afgesproken wat luchtdruk is en graden Celsius zodat we kunnen zeggen:”water kookt bij honderd graden. In Amsterdam kookt het bij honderd graden en dat doet het ook in Tokyo, onafhankelijk van wie de ketel op het vuur zet”. Het maakt allemaal niet uit. De zaak is volkomen verifieerbaar en iedereen die beweert dat het anders is kan op zijn kop gaan staan maar krijgt geen gelijk.

In de kunstwereld is echter weinig verifieerbaar en op je kop gaan staan kan zeker geen kwaad: het is maar wie er in geloofd en hoe hartstochtelijk. Kortom, het maakt veel uit wie de ketel op het vuur zet. Je zou zelfs kunnen stellen dat wetenschap objectiviteit nastreeft en kunst subjectiviteit.

Een zelfde streven naar objectiviteit kun je aantreffen in natuurhistorische musea en musea voor kunstnijverheid. De artefacten zijn er gewoon. Onafhankelijk van de ruimte zelf staan ze in vitrines en op sokkels. Naast een opgezette aap hangt een bordje met daarop “aap” en uit welk land hij komt. Een zilveren lepel is gemaakt met vakmanschap en wordt gepresenteerd met een gevoel voor waarde zonder ook maar een moment speculatief te zijn. Een opstelling over de aardlagen van Europa is buitengewoon leerzaam.

Kortom, tekst en uitleg, vakmanschap, en educatie. Allemaal heldere en verifieerbare begrippen. Misschien dat daarom kunst hiermee in vergelijking zo lijkt te jengelen om aandacht: het heeft medestanders nodig. Het moet gesteund worden om zijn subjectieve rol te vergroten tot een maatschappelijke. Artefacten daarentegen zijn juist volkomen onverschillig ten opzichte van de toeschouwer.

Het zal je duidelijk zijn dat ik met wetenschap dus niet alleen fysica, wiskunde etc. bedoel maar ook antropologie, geschiedenis etc..Maar, zoals ik deze brief al begon, het gaat mij niet om de wetenschap zelf maar om haar methodiek. Haar verlangen naar waarheid & werkelijkheid desnoods tegen beter weten in (in de 17e eeuw werd fysica bv. natuurfilosofie genoemd).

Deze maand zegt J. Schwartz in de Volkskrant: “Fysica is niets anders dan een manier van discussiëren over de natuur met argumenten en bewijsstukken”. Argumenten en bewijsstukken die dus overdrachtelijk zijn en ook nog opgeslagen kannen worden in bibliotheken. Iets wat dus wordt opgebouwd en doorgegeven door generaties van wetenschappers. In dit bouwwerk is het van minder belang wie wat uitvindt. Men kan met elkaars kennis verder. Toen Sir Isaac Newton werd aangesproken over zijn geweldige ontdekkingen zei hij relativerend op de schouders van reuzen gestaan te hebben. En Einstein had het weer niet zonder Newton gekund, etc. Dit is natuurlijk ook uit noodzaak: één leven is veel te kort om alles uittevinden en te begrijpen. En hiermee komt dan toch de tragiek om de hoek kijken: de ellende is niet dat we moeten sterven maar dat wie niet nog een keer mogen. En nog een keer. Dat we alleen het perspectief van ons eigen leven hebben om de dingen te begrijpen. Waarom ben ik alleen mezelf en niet nog een paar mensen? Waarom was ik niet Galileo Galileï? Je kunt natuurlijk naar de bibliotheek gaan om het werk van Galileï op te slaan maar het blijft het perspectief van één mens ten opzichte van de anderen. Het is het perspectief van iemand die op vakantie een onbekend dorp binnen loopt en zich niet kan voorstellen dat de dorpelingen er gisteren ook al waren. Het is, ondanks alle objectieve inzichten, de verbijstering van een astronoom die ‘s nachts nog even de achtertuin inloopt. En een celbiologe zal niet minder ontroerd zijn met de geboorte van haar kind.

In “De dertig dichtstbijzijnde sterren en hun afstanden in lichtjaren.” probeer ik zo documentair mogelijk te zijn: blijkbaar hebben er altijd mensen bestaan die nieuwsgierig waren naar de sterren. Door de eeuwen heen hebben sommige daarvan ontdekt welke sterren op welke afstand staan en uiteindelijk is het zelfs gelukt om een lijstje met de dertig dichtst bijzijnde samentestellen. Op een bordje zien we dat verscheidene sterren vernoemd zijn naar personen. Over het persoonlijke leven komen we niets te weten. Een aantal sterren heeft niet eens een naam maar een nummer. Gezamenlijk zijn dertig sterren in kaart gebracht.

Ik probeer mijn rol als kunstenaar te objectiveren door er een educatieve opstelling van te maken. Het is niet mijn bedoeling expressief te zijn. Ik wil eigenlijk net zo anoniem blijven als de betrokken astronomen. Het zal evengoed duidelijk zijn dat alles is gemeten naar de menselijke maat al is net maar een suppoost (als er staat de dichtstbijzijnde sterren, ten opzichte van wie is dat dan?).

Een verifieerbaar beeld, alles is helder: een bordje erbij, een geschilderd schema over kleur en formaat. En toch is het perspectief niet gericht op de sterren maar op wat ik wil weten over nieuwsgierigheid, bijdragen leveren, anonimiteit. Dat is ook wat ik waardeer in de foto’s van Aarsman. Hij kijkt naar de wereld zonder er gelijk “iets mee te doen”. Juist als je zo onversneden naar de werkelijkheid kijkt overvalt je een sentimenteel medelijden over de menselijke geschiedenis: opeens zie je wat er gebeurd is. Wie zijn die mensen? Hebben wij dat gemaakt? Wat mooi, lelijk, goed, slecht! (Het doet niet echt ter zake) Het is net alsof je even wat minder met jezelf bezig bent en wat meer met de wereld en dat maakt meestal melancholiek… Een dramatische documentaire.
Roelof van Gelder schreef op 17 december in het NRC over “De dageraad der gouden eeuw”: “Bij veel schilders uit die nieuwe fase (omstreeks 1600, RR) zien we een verschuiving van verbeelding naar observatie, van werelden samengesteld uit verzonnen onderdelen naar taferelen opgebouwd uit onderdelen die het nuchtere oog waarnam”.

Wat we doen is dus niet nieuw. We hebben misschien een beetje genoeg van het fantastische expressieve of de geniale kunstenaar. Maar ik moet er gelijk bijzeggen, en dat is een waarschuwing, het omgekeerde bestaat ook niet. Zelfs wetenschappers bedrijven de wetenschap niet lOO% objectief en wetenschap zonder meer in de kunst stelt niks voor (een kunstwerk dat niets te verbergen heeft is gelijk op & uit).

Als jullie met het thema wetenschap in de kunstwereld willen werken dan zal je het ook meer in deze hoek moeten zoeken: zoals het centraal perspectief” niet alleen een technische uitvinding in de renaissance was maar vooral als metafoor op de mens gericht bleek. En zoals de Noord-Europese verlichting niet alleen de werkelijkheid in kaart wilde brengen maar uiteindelijk ook zijn eigen positie en nieuwsgierigheid uitbeeld.

Afijn, of het allemaal duidelijk is wat ik beweer hoor ik donderdag wel
Tot dan,